maandag, januari 12, 2004

Nostalgie volgens Gabriël Garcia Marquez

Zo ongeorganiseerd zijn als ik heeft het voordeel dat elk tijdsblok dat zich onverwacht presenteert zonder invulling kortstondig als een onbeschreven blad kan blijven drijven op het spiegelend oppervlak van een ondoorzichtige vijver in een stadspark dat doodstil ligt in de koude novemberlucht waar de stank van de stad berijmd hangt tussen kale bomen. Het gevoel is kortstondig omdat na het begin van de lichte euforie een stoet van mogelijke opdrachten zich aandient die met hun gedrum meer verwarring stichten dan berekening kan oplossen. Eerst wat eerst komt: eten. Een drukke taverne in het hartje van de Europese wijk in Brussel. Aan de lange tafel in het midden is plaats. Honger verwekt overmoed en ik bestel te veel. (..)

De recencent van De Morgen (Boekenbijlage van vandaag) heeft het over de nostalgie van Marquez, die met zijn nieuwste roman nog eens de tragisch-romantische tour opgaat. Volgens de beroemde auteur "is nostalgie rondjes draaien, steeds weer variaties bedenken op wat ooit al gezegd is." Dat mag zeker waar wezen, maar wat doe je met het gegeven dat nostalgie uiteindelijk neerkomt op een verdichting van niet meer dan enkele schaarse momenten van geluk, een bijeenharken van sprankels onuitgesproken verwachtingen. Ons poëtisch geheugen dat wanhopig een scène construeert, korte emotionele lijnen uitzet, een geforceerde sfeer tracht op te roepen die nooit bestaan heeft. De Nostalgie mag dan al een schaars geklede dame zijn die zich naast je in het plushe van een ouderswetse theaterzetel heeft genesteld, daar op de buhne loopt alles voortdurend mis. Het verhaal klinkt hol en de acteurs vallen snel door de mand. Te snel.

maandag, april 14, 2003

Kind in tijden van oorlog

Kind, mijn kind, hoeveel kan een ouder van je houden? Je strekt je vrijgevochten armpjes uit in de lege witte ruimte. Nauwelijks bekomen van je reis uit het ongewisse beland je in het ongerijmde van een grenzeloze wereld waar problemen worden opgelost door geweld. Congo, Tsjetsjenië, Colombia, het houdt niet op. Terwijl jij je eerste oogopslagen werpt heeft het keizerrijk zijn zevenmijlslaarzen aangetrokken en is over Irak gaan heen staan. Het draagt een veel te wijde jas en zingt de valse loftrompet van de rechtvaardigheid.

In de krant verhalen over overvolle ziekenhuizen, op internet circuleren bloederige foto’s van uiteengereten lichamen, van kinderen die al hun ledematen én hun ouders verloren. Een bom die inslaat op het hotel waar de hele internationale media haar basis heeft, balans: drie doden. Geruchten over doorgestoken kaart steken onvermijdelijk de kop op. Niemand is verbaasd.
Op datzelfde moment brengen zogenaamde ‘embedded journalists’ verslag vanachter de schutskoepel boven op een oprukkende tank. Ze hanteren een absurd jargon dat alle realiteitszin verloren heeft en lijken hun rol als vaandeldragers van de oorlogsmachine volledig geassimileerd te hebben.

Hoe leg je het uit? Tja, hoe legden mijn ouders het uit, eind jaren 60? Toen was die dezelfde oorlogsmachine elders massagraven aan het delven. De Amerikaanse oorlog in Vietnam was reeds verschillende jaren achter de rug toen mijn ontluikend historisch bewustzijn de puzzelstukjes bij elkaar begon te zoeken. Neen, wij dachten niet de laatsten te zijn die hun levensweg zouden moeten starten in tijden van slagveld. De waan van de maakbaarheid was niet meer aan ons besteed. Was er sinds Vietnam niet een dozijn andere oorlogen geweest? En toch leeft altijd de hoop…

Kind, oh kind, jij onvolgroeid wezen uit Utopia, je hebt ons zoveel te leren. Jou hulpeloosheid mag symbool staan voor de collectieve onkunde van een internationale gemeenschap. Kunnen we je verbergen voor deze waanzin?

(Column verscheen in ledenblad van Amnesty Vlaanderen - zie voor meer artikels en columns over mensenrechten: http://amnestynieuws.blogspot.com)

maandag, april 15, 2002

Varkentje

“Het loopt uit de hand,” zegt de ene diplomaat tegen de andere. Waarop de andere enigszins geërgerd zijn krant een halve decimeter laat zakken, “wat loopt er uit de hand? Begin weer niet over de protesten. Dat zootje ongeregeld weet niet waarover het gaat en volgende week is deze poppenkast weer voorbij. De slottekst is toch al geregeld.”

De twee blanke mannen, een Europeaan en een Noord-Amerikaan, zitten in de lobby van een 5-sterren hotel in Monterrey, een stad in het noorden van Mexico. De Europeaan houdt voet bij stuk: “onze ministers voelen de hete adem van de antiglobalisten in hun nek, ze vrezen dat het kiezerspubliek niet zal begrijpen waarom deze conferentie geen nieuw geld oplevert voor de ontwikkelingslanden. Ze denken dat de ontevredenheid zal toenemen.”
“Hoezo, ontevredenheid?” De Noord-Amerikaan, die een aanzienlijk deel van de 800-koppige delegatie diplomaten uit de VS aanvoert, neemt een formele toon aan en declameert: “ons standpunt is en blijft dat financiering van ontwikkeling een fictie is: enkel vrije wereldhandel zal de ontwikkelingslanden vooruit helpen en armoede doen verdwijnen. “Overigens,” voegt hij er zonder zweem van ironie aan toe, “hebben jullie stevig mee gewerkt om deze slottekst goed te keuren…”

Een kleine pauze markeert wat het einde van het gesprek zou kunnen zijn. De Europese diplomaat voelt zich enigszins opgelaten. En alhoewel hij het antwoord van zijn gesprekspartner al kent gooit hij het toch over een andere boeg: “in Europa wint de stelling veld dat armoede een voedingsbodem is voor terrorisme.” Waarop de Noord-Amerikaan fulmineert: “Nonsens! Dat is nog nergens bewezen en bovendien, dat varkentje zal het Pentagon wel wassen. En begin niet met dat gezwets over een Internationaal Tribunaal, want daar doen we niet aan mee.” En na een korte pauze: “ach, laat ze dan wat unilaterale initiatieven nemen, een beetje schuldherschikking hier, wat meer hulp onder bevriende naties daar, het helpt niet maar het staat goed in een perscommuniqué.” Dat laatste zegt hij met haast onverholen minachting, enkel ingehouden door zijn afgemeten diplomatieke etiquette.

De twee vrienden gaan uit elkaar, elk naar hun vergaderingen, de Europeaan met gemengde gevoelens, zijn gesprekspartner met een triomferende glimlach op het gezicht.

(Column verscheen in ledenblad van Amnesty Vlaanderen - zie voor meer artikels en columns over mensenrechten: http://amnestynieuws.blogspot.com)

woensdag, maart 01, 2000

De geest van Koning Leopold II, en de plundering van de Congo; Adam Hochschild

De moslim filosoof Ibn Chaldoen schreef het reeds in de 14e eeuw: “Zij die veroverd zijn, willen de veroveraars altijd nabootsen in zijn voornaamste kenmerken – in zijn kleding, zijn ambachten en in al zijn onderscheidende eigenheden en gebruiken.” Hochschild eindigt zijn boek met de parallel tussen Mobutu en de ‘zwarte koning’ Leopold II, meer dan een eeuw vroeger. De eerste, Afrikaans dictator eerste klasse, werd op de troon geholpen door het postkoloniale België, de V.S. en de Verenigde Naties. Die historische putsch ging ten koste van legitiem verkozen leider Patrice Lumumba en van het Kongolese volk. Op het hoogtepunt van zijn macht schafte Mobutu zich een protserige villa aan, nota bene vlak bij de villa die Leopold bouwde aan de Franse Côte d’Azur. Op dat ogenblik was hij één van de rijkste mensen ter wereld (ook net als de Belgische koning eertijds) met een geschat vermogen van 4 miljard dollar.

Lees verder.